Schrif­te­lijke vragen chemische bestrij­dings­mid­delen en sierteelt


Vragen gesteld aan de gede­pu­teerde Jumelet

Op 18 december heeft de fractie van de Partij voor de Dieren vragen gesteld over chemische bestrijdingsmiddelen en sierteelt.

"Op 4 december hebben we in de Statencommissie Omgevingsbeleid gesproken over het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen door bollen- en lelietelers in Drenthe. Tijdens deze vergadering heeft de Partij voor de Dieren (meermaals) aan de Gedeputeerde Staten een aantal vragen gesteld, waar helaas tijdens de vergadering geen antwoord op gekomen is. De Partij voor de Dieren hecht er grote waarde aan dat we de mening kennen van GS over belangrijke zaken die Drenthe en haar inwoners aangaan. Hierbij stellen we de vragen daarom schriftelijk.

De bestrijdingsmiddelen blijken uit onderzoek terecht te komen in de tuin, het huisstof en de lichamen van omwonenden.

Vraag 1:

  • Is GS met de PvdD van mening dat omwonenden (van gronden waar intensieve sierteelt plaatsvindt) recht hebben op een gifvrij erf en huis?

De chemische bestrijdingsmiddelen kunnen ook terechtkomen op gewassen van aangrenzende landbouwers.

Vraag 2:

  • Wat de mening van GS over de gevolgen van het verspreiden van chemische bestrijdingsmiddelen naar percelen van gecertificeerde landbouwers, die daardoor mogelijk hun certificering kwijtraken met als gevolg grote financiële schade?

Een van de insprekers (de heer Nijland) heeft tijdens de commissievergadering gesproken over de manier waarop bollen gerooid worden, waarbij een deel van de bovenlaag van de bodemwordt meegenomen. Hij noemde hierbij archeologische schade.

Vraag 3 en 4:

  • Is GS bekend met deze wijze van oogsten?
  • Wat is de mening van GS over de mogelijkheid dat door dit gebruik het verdrag van Malta wordt geschonden?

namens de fractie van de Partij voor de Dieren,

Thea Potharst

Antwoorddatum: 28 jan. 2020

Antwoord 1: Wij delen uw zorgen en zijn daarom, in lijn met de uitkomsten en adviezen van het onderzoek'Uitgesproken', als gezamenlijke overheden een proces gestart om ons in te zetten voor een reductie van het gebruik en de eruaren overlast van gewasbeschermingsmiddelen. Op dit moment werken wij aan een stappenplan waar de verschillende overheidslagen (Rijk, provincies, waterschappen, gemeenten), passend bij de rol en verantwoordelijkheden, inzet plegen om uitvoering te geven aan de conclusies uit het Rapport'Uitgesproken'.

Antwoord 2: ln het toelatingsbeleid van het R'rjk (Ctgb) worden middelen, voordat deze worden toegelaten, geÍoeÍsÍ op risrco's voor mens, dier en milieu.

Een toegelaten middel wordt voorzien van een wettelijk gebruiksvoorschrift, waarin staat aangegeven waartegen het middel gebruikt mag worden en onder welke condities (dosering, wijze van Íoepassen). Tevens gelden voorwaarden over maximale windsnelheden, om drift te voorkomen. Een gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen dient zich te houden aan de wettelijke gebruiksvoorschriften. De controle op de naleving van de wettelijke voorschriften berust bij de NVWA (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit). lndien spuitmiddelen toch terecht komen buiten het te bespuiten perceel en daardoor schade wordt geleden, kan de veroorzaker hiervoor aansprakelijk worden gesÍe/d.

Antwoord 3: Bij het rooien van bol- en knolgewassen wordÍ altijd een grondfractie meegenomen, de zogenaamde tarra. Dit is om beschadiging van deze bollen en knollen te voorkomen. Bollentelers dienen deze (spoel)grond weer terug te brengen op hun percelen.

ln 2011 is door de provincie en alle Drentse gemeenten een convenant gesloten met LTO waarin onder andere is vasÍgesÍeld dat grondbewerkingen in de bovenste 30 cm (gemiddelde bouwvoor) onder het maaiveld zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek. De bouwvoor wordt door archeologen als verstoord beschouwd, dat wil zeggen dat hieraan geen archeologische verwachting meer wordt toegekend.

Antwoord 4: Naar onze mening wordt het Verdrag van Malta, waarin wordt beoogd het cultureel ertgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen, niet geschonden.